HONDENZIEKTEN VAN A TOT Z

B

H

J

V

Hondenziekten genezen begint met een goede diagnose

Elke aandoening of hondenziekte heeft zo zijn eigen aanpak nodig. Hoe beter je dierenarts weet wat er met je hond aan de hand is, hoe beter de behandeling daarop afgestemd kan worden. Hieronder lees je welke stappen je dierenarts volgt bij het stellen van een goede diagnose.

In een spoedeisende situatie controleert de dierenarts snel de meest vitale functies om vervolgens zo snel mogelijk tot actie over te gaan. Als het dier gestabiliseerd is zal een uitgebreider onderzoek plaatsvinden zoals hieronder beschreven wordt.

Signalement

Op basis van de leeftijd en het ras en het geslacht van je hond (mannelijk, vrouwelijk, wel of niet gecastreerd) worden bepaalde hondenziekten meer of minder waarschijnlijk.

Anamnese: vragen aan de eigenaar

Je hond kan natuurlijk niet zelf vertellen hoe hij of zij zich voelt, vandaar dat je als baasje de belangrijkste informatiebron bent voor de dierenarts. De dierenarts zal je daarom vragen stellen over de aard van de klachten en over het algemeen functioneren van je dier zoals eet-, drink-, poep- en plasgedrag. Altijd goed dus om extra op deze zaken te letten als je hond niet in orde is. Ook speelt mee of er contact is met andere dieren en of de hond wordt ingezet als jachthond, voor shows of fokkerij. Tot slot is de voorgeschiedenis van grote betekenis. Heeft je hond de klachten al vaker gehad, is het dier goed gevaccineerd enzovoorts.

Algemene indruk van je hond

De eerste indruk zegt je dierenarts al veel over hoe het met je hond gesteld is. Is de hond alert, of juist doodziek en moet er direct actie worden ondernomen? Loopt en staat het dier goed bij binnenkomst in de spreekkamer of loopt het mank of zelfs helemaal niet? Is de hond mager, normaal gevoed of te zwaar? De hond wordt daarbij gewogen, ook om te bepalen of het gewicht veranderd is ten opzichte van eerdere bezoeken. Tot slot let je dierenarts op de vacht en in het oog springende afwijkingen, zoals een grote bult, wond of dikke poot.

Het lichamelijk onderzoek bij de hond

Het lichamelijk onderzoek bij de hond begint met een algemeen onderzoek, waarbij wordt gelet op de ademhaling, pols (voelbaar bij de liezen), temperatuur, huid en beharing, slijmvliezen en lymfeklieren op verschillende plekken in het lichaam. Daarna kunnen bepaalde organen of lichaamsdelen verder onderzocht worden.

Aanvullend onderzoek

Het is op basis van alleen de voorgaande stappen niet altijd mogelijk om meteen tot een goede diagnose te komen. In sommige gevallen heeft de dierenarts wel een vermoeden en wordt aan de hand daarvan een behandeling gestart. In andere gevallen, bijvoorbeeld als de klachten bij meerdere aandoeningen kunnen passen of als een eerste behandeling niet heeft geholpen, heeft de dierenarts meer informatie nodig. Dan zijn er diverse aanvullende methoden die kunnen helpen de diagnose te stellen en andere hondenziekten uit te sluiten:

LABORATORIUMONDERZOEK

Denk bijvoorbeeld aan bloedonderzoek, urineonderzoek, ontlastingsonderzoek, bacteriologisch onderzoek (op kweek zetten) en microscopisch onderzoek van biopten, huidafkrabsels, uitstrijkjes enzovoorts. Het verschilt per kliniek welke mogelijkheden er beschikbaar zijn. Voor onderzoeken die niet in de eigen kliniek gedaan kunnen worden kan de dierenarts materiaal versturen naar verschillende veterinaire laboratoria in Nederland, België en Duitsland.

BEELDVORMEND ONDERZOEK

Sommige diagnoses worden gesteld door organen of ledematen in beeld te brengen. Hiervoor zijn verschillende technieken te gebruiken, die afhankelijk van het orgaan en type aandoening meer of minder geschikt kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan het maken van röntgenfoto’s, echografie, MRI, CT of scintigrafie.

Verwijzen naar een andere dierenarts of specialist

Als je dierenarts niet beschikt over bepaalde expertise of apparatuur voor een diagnose of behandeling, kan hij of zij je hond verwijzen (doorsturen) naar een andere dierenarts of dierenarts-specialist. Veel dierenartsen hebben extra kennis en ervaring opgedaan in diverse vakgebieden, waarmee ze andere dierenartsen kunnen ondersteunen.

Ook kan je dierenarts verwijzen naar een dierenarts-specialist. Specialisten hebben na hun opleiding tot dierenarts een vervolgopleiding van vier jaar gevolgd om zich te specialiseren in een bepaald vakgebied binnen de diergeneeskunde, zoals dermatologie of chirurgie. Alleen dierenartsen die het Europees examen op hun vakgebied hebben afgelegd, mogen zich specialist noemen. De Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren (UKG) in Utrecht is een van de bekendste specialistische klinieken in Nederland, hier worden dierenartsen en specialisten opgeleid en zijn de modernste faciliteiten beschikbaar.

error: Deze content is beschermd!